Low-code development is kans voor pakketleveranciers

De adoptie van low-code development voor ERP-oplossingen verloopt zoals dat met veel nieuwe technologieën gaat. Innovatie wordt eerst omarmd door de innovators, dan de early adopters en vervolgens de massa, de early en late majority. We zitten nu in de fase naar early majority, maar we hadden veel verder kunnen zijn.

Vooral de IT-dienstverleners worstelen enorm met de impact van low-code development. Wat heb je immers aan een tien keer hogere ontwikkelsnelheid als de klant per uur afrekent? Dan moet je je eigen business model veranderen en dat is best eng. Nog even uitstellen maar…

Voor pakketleveranciers ligt dat heel anders. Zij verkopen licenties en als zij tien keer productiever zijn, dan scheelt dat enorm in de kosten en maken ze meer winst. Zij zouden dus wel degelijk voor low-code development kunnen kiezen, maar waarom gebeurt dat nog zo weinig?

Platform zelf bouwen of kopen

Pakketleveranciers die hun software willen moderniseren zouden zelf een low-code ontwikkelplatform kunnen bouwen om veel productiever te worden en niet meer afhankelijk te zijn van technologie. Je hebt dan wel zeer specifieke kennis nodig en ook een hele berg geld.

AFAS, een ontwikkelaar van moderne bedrijfssoftware, heeft hiervoor gekozen. Dit bedrijf bouwt een eigen low-code platform en heeft daarvoor maar liefst 200 manjaar begroot. Een groot bedrijf als AFAS kan zo’n investering van tientallen miljoenen euro’s wel doen. Maar voor een klein of middelgroot softwarebedrijf is dat simpelweg niet haalbaar. Als je zo’n platform niet zelf kunt bouwen of de investering niet kunt doen, dan kan je zo’n platform ook gewoon kopen. En de business case is al snel heel gunstig.

Overigens is niet elk low-code ontwikkelplatform geschikt om een ERP-achtige oplossing te bouwen. De meeste zijn enkel geschikt om apps mee te bouwen die met de ERP-oplossing worden gekoppeld. In die zin kunnen ze de bestaande en verouderde applicatie niet vervangen.

Aandachtspunten voor low-code

Een pakketleverancier die een low-code platform wil gaan aanschaffen, zou minimaal de volgende zaken moeten overwegen.

  1. Kan het platform het bestaande softwarepakket in de basis automatisch moderniseren? Is het antwoord ja, dan kan het unieke gedachtengoed van de bestaande applicatie op een efficiënte manier behouden blijven. Dit is een belangrijke eis van veel pakketleveranciers.
  2. Is het platform device-onafhankelijk, ook met het oog op de toekomst? Dit voorkomt nieuwe investeringen als er andere devices op de markt komen.
  3. Welke ontwikkelsnelheid biedt het platform? En is dat onafhankelijk gemeten? Met low-code development is tegenwoordig een productiviteit van minder dan een half uur per functiepunt haalbaar.
  4. Zijn er andere ERP-applicaties gebouwd met het platform en zijn daar goede referenties van te vinden?
  5. Is de platformleverancier een stabiel en winstgevend bedrijf? Dit is van belang voor de continuïteit van het platform naar de toekomst. Bij voorkeur heeft het bedrijf geen externe financiering en is het van Nederlandse origine.

Wie zijn de koplopers?

Om low-code een aantrekkelijker alternatief te maken voor maatwerk- of pakketsoftware moeten de early adopters als referent dienen voor de early majority. De softwareleverancier Acto is bijvoorbeeld volop bezig met haar vernieuwingsproject met de naam Acto Invictus. Daarbij hebben zij gekozen voor een ingekocht low-code platform en kunnen daarmee vele malen sneller de software modelleren. Maar ook een bedrijf als VDL heeft zijn interne ERP-applicatie in vijf kwartalen volledig opnieuw gebouwd met een extern low-code ontwikkelplatform. De nieuwe applicatie van VDL (VBS) draait bij zo’n 40 fabrieken.

Dit is een goed begin, maar pas wanneer nog veel meer organisaties de voordelen van low-code ervaren, kan deze revolutionaire methode echt tot bloei komen.

Delen